Tir'Na Noir
Vamp
Tir'Na Noir
Het is een zwarte november, de zee beukt op het strand
Een verloren droom uit een zomergroen land.
Maar ik herinner me nog de mooie Mary McKear,
ver weg in Tir n'a Noir.
Was je een droom? Was je vlees? Was je bloed?
Ik kan je horen lachen. Ik kan me herinneren dat ik lachte.
Achter de horizon,
vergaan en glijdend
ben jij de mijne,
mijn Mary McKear.
Wanneer mijn roestige lichaam zwaar de heuvels op gaat
hoor ik iemand fluisteren achter de jonge winter:
Kom terug, vriend, van de kroegen en de roes.
Kom weer naar Tir n'a Noir.
Kom naar het vlees. Kom naar de geest van alles wat grijs is.
Ik zal je wang strelen, je blik blauw maken.
Want achter de horizon,
vergaan en glijdend
ben ik de jouwe,
jouw Mary McKear.
Dus wanneer de avond komt en ik stil aan boord ga,
en mijn reddingsboot wordt begraven in zes voet aarde,
zeil ik westwaarts over de zee naar Mary McKear in
dit groene Tir n'a Noir.
Naar dromen en naar wangen en een hemel van troost
waar alles geest is en ik hoor je stem:
Horizonten bestaan niet.
Alles wat je aanraakt blijft
ik ben de jouwe,
jouw Mary McKear.