Je crois entendre encore/A cette voix, quel trouble/La romance de Nadir
Alain Vanzo
Ik geloof haar nog te horen/Wat een verwarring, die stem/De romance van Nadir
Wat een verwarring, die stem, die mijn wezen bewoog?
Wat een dwaas verlangen? Hoe kon ik haar herkennen?
O, voor mijn ogen al, arme dwaas,
Dezelfde visie is zo vaak voorbijgekomen.
Nee, nee, het is de spijt, de koorts, de waanzin,
Zurga moet alles weten, ik had hem alles moeten vertellen.
Perjure aan mijn eed, ik wilde haar weerzien,
Ik ontdekte haar spoor en volgde haar stappen.
En verborgen in de nacht, zuchtend heel stil,
Luisterde ik naar haar zoete gezangen, meegenomen in de ruimte.
Ik geloof haar nog te horen,
Verborgen onder de palmen,
Haar zachte en sonore stem,
Als een lied van een tortel.
O betoverende nacht!
Goddelijke verrukking!
O charmante herinnering!
Dolle dronkenschap! Zoete droom!
Bij het licht van de sterren,
Geloof ik haar nog te zien,
Haar lange sluiers openen,
Aan de zachte avondwinden.
O betoverende nacht,
Goddelijke verrukking,
O charmante herinnering!
Dolle dronkenschap! Zoete droom!
Goddelijke herinnering!
O charmante herinnering!